Lessen uit The Economist over levenskwaliteit

Het is niet omdat de inkomensongelijkheid stabiel blijft, dat ze geen probleem vormt. ‘Het is als radioactieve straling, het tast alles aan.’

Er is wat te doen over een recent nummer van The Economist over de evolutie van de inkomensongelijkheid. Ive Marx vond het ‘moedig’ (DS 3 december) , Ruud Goossens ziet het blad het hoofd in het zand steken (DS 6 december) . Dat The Economist relevant blijft, is duidelijk. Het artikel is naar goede gewoonte prima geschreven, maar wil wel erg veel in één keer doen: aantonen dat doemdenken over ongelijkheid fake news is, Piketty en co. bij het grof vuil zetten en oproepen om beleid te stoelen op feiten. Dat is allemaal legitiem als middel om de discussie op gang te brengen.

The Economist verrast wel vaker. Dat deed het in 2005 al met zijn quality of life -index, een schot voor de boeg waarmee het de draad weer oppikte van een zoektocht die al in de jaren 50 was begonnen. Scandinavische onderzoekers, maar ook de VN, waren toen op zoek naar een instrument om levenskwaliteit te meten en in te zetten als indicator voor beleid. Vanaf de jaren 60 deed het er plots minder toe. De maakbaarheid van de samenleving werd in de sixties hoog ingeschat. De tweeling ‘meten en ­weten’ werd vervangen door ‘groeien en bloeien’.

Momentum

Quality of life -indexen zoals die van The Economist willen de relatie tussen kenmerken van het menselijk samenleven en subjectief welbevinden weergeven. Hebben bijvoorbeeld inkomen, gezondheid, sociaal leven, klimaat en geografie invloed op subjectief gemeten levenskwaliteit? Na 2005 nam de aandacht voor deze complexe benadering weer toe. Dat is zeker ook de verdienste van The Economist . Los van heel wat terechte kritiek op deze indexen, is de kern ervan waardevol. Zo’n index verlegt de aandacht van een puur economische benadering van groeien naar een meer compleet beeld van wat na te streven is. Er wordt eerder gekeken naar welzijn en ‘wel-worden’ dan naar welvaart. Sommigen spreken van happiness economics .

Op den duur groeit alleen de economie nog, en weinig anders. Dat is het moment om je te richten op andere groei. Het omzetten van welvaart in welzijn is dan waar het om draait

Toegegeven, ook toen al minimaliseerde The Economist het belang van inkomensongelijkheid, maar het blad benadrukte wel de sterke band met absoluut inkomen. Het poneerde dat levenskwaliteit meer afhangt van hoeveel je zelf te besteden hebt dan van wat de ander aan koopkracht heeft.

De rehabilitatie door The Economist van onderzoek naar levenskwaliteit is om twee redenen belangrijk. Op een bepaald moment stagneert de groei van levenskwaliteit in relatie tot het gemiddeld inkomen per persoon in een land. Investeren in nog rijker worden als natie heeft nauwelijks nog invloed op de levenskwaliteit. Op den duur groeit alleen de economie nog, en weinig anders. Dat is het moment om je te richten op andere groei. Dat momentum is fundamenteel. Die vaststelling zou moeten leiden tot een hernieuwde ambitie om te herverdelen. Rijke landen die daarin slagen, meten wel degelijk nog winst in levenskwaliteit. Het omzetten van welvaart in welzijn is dus waar het om draait, en daarin verschillen landen wel degelijk.

Sneeuwbaleffect

Daaruit volgt een andere belangrijke vraag: wat moet dan worden herverdeeld? Daar gaan sommigen erg kort door de bocht. Waar in titels wordt aangekondigd dat ‘de ongelijkheid’ niet is toegenomen, blijkt het in werkelijkheid louter om inkomensongelijkheid te gaan. Daar wringt het schoentje. Ook als de inkomensongelijkheid stabiel blijft, is er een probleem. Het doorwerken van gelijk ­gebleven inkomensongelijkheid is waarover het écht moet gaan. Inkomensongelijkheid is als radioactieve straling: relatief beperkte blootstelling leidt later toch tot problemen. Inkomensongelijkheid straalt door alles heen en woekert onzichtbaar op heel wat andere levensdomeinen. Aanvankelijk is dat niet zichtbaar, later is er uitstraling die veel moeilijker te behandelen is. Het Mattheuseffect, bijvoorbeeld, waarbij er steeds meer wordt gegeven aan wie al veel had. Tegelijk wordt wie minder had, nog meer afgenomen. Dat is het sneeuwbaleffect van ongelijkheid. Het is geen optelsom, het is een vermenigvuldiging. Denk aan de ongelijke toegang tot de kinderopvang die deze regering nog zal versterken, de woningmarkt, de gezondheidszorg. Lees ook de resultaten van het recente Pisa-onderzoek. Kijk naar de kenmerken van gezinnen en het succes van hun kinderen in het onderwijs. Dat succes blijft ongelijk verdeeld. Vlaanderen excelleert daar alvast wel in: ons onderwijs reproduceert als de beste de bestaande ongelijkheid: zeg mij uit welk gezin je komt en ik vul alvast je rapport in.

Solidair met jezelf

Verdedigers van de status quo in ongelijkheid zou ik willen meesturen met buurtwerkers, ervaringsdeskundigen in de armoede, vrijwilligers van een voedselbank en sociaal werkers in de wijkgezondheidscentra. Geen cijfers daar, geen Gini-coëfficiënten. Wél verhalen over de sneeuwbal.

In tijden waarin solidariteit wordt verengd tot de eigen groep, is waakzaamheid geboden. Solidair zijn met jezelf lijkt een aantrekkelijke en veilige keuze. Dat is niet zo. De veelkoppige ongelijkheid recht in de ogen kijken en het complexe ervan doorgronden, de levenskwaliteit van zo veel mogelijk mensen verhogen, is een moedige en belangrijke ­opdracht. We zijn er alleszins rijk genoeg voor. Ook dat las ik ooit in The Economist .