Onze samenleving moet ideologisch ontluizen
Politieke partijen bekijken studies over sociale ongelijkheid door een ideologische bril en buigen ze vaak in hun voordeel om. Maar feiten laten zich niet zomaar uitgommen.
Telkens als onderzoeksresultaten van Pisa-onderzoek over onderwijsprestaties worden gepubliceerd, leidt dat tot discussies over onderwijsongelijkheid. Leerlingen met rijke ouders hebben hoge punten (DS 1 september) . Anderen zien immense verschillen tussen goede en slechte scholen (DS 31 augustus) . De rode draad: steevast scoort Vlaanderen erg belabberd, als het gaat over gelijkheid in het onderwijs.
Toch is dat slechts het topje van een indrukwekkende ijsberg. Op geregelde tijdstippen zien we ander onderzoek dat ook rapporteert over diverse vormen van sociale ongelijkheid. Daarbij valt op dat België en Vlaanderen eerder de slechte leerlingen van de klas zijn. Niet het resultaat van één examen is belangrijk. We moeten naar het hele rapport durven te kijken. Dat doen we te weinig. Tijd voor een centraal examen over sociale ongelijkheid? Een kritische deliberatie zou ons land op dit vlak gegarandeerd een C-attest opleveren.
Framing
Enkele voorbeelden tonen dit aan. Jaarverslagen van de voedselbanken leren ons dat tussen 2005 en 2016 het aantal behoeftigen, door hen geholpen, is gestegen van 106.000 naar 143.000. De bruto loonkloof op jaarbasis tussen mannen en vrouwen is nog steeds ruim 22 procent en beweegt niet significant. Onze sociale zekerheid zit tjokvol mattheuseffecten, waardoor wie het al makkelijk heeft, aan nog meer raakt en wie minder heeft, achteruit holt. Herinner u de gemiste kans bij de hervorming van de kinderbijslag. Het opleidingsniveau is steeds nauwer verbonden met levensverwachting en het aantal te verwachten gezonde jaren. U kunt zelf al vermoeden in welke richting dat evolueert. Europees onderzoek over ongelijkheid in gezondheid toonde aan dat deze in België op alle onderzochte indicatoren stijgt. Zo kunnen we helaas nog wel even doorgaan.
Vanuit politieke hoek zijn de reacties op de bovenstaande onheilstijdingen steevast te voorspellen. Elke politieke familie jaagt de bevindingen vakkundig door de eigen ideologische mangel. Wat volgt, is framing vanuit de eigen mens- en maatschappijvisie, waarbij de feiten niet altijd recht aangedaan worden.
Met die gang van zaken is stilaan iets grondig mis. Het gaat hier wel degelijk over ‘feiten’. Ze mogen dan wel van sociale aard zijn, ze laten zich niet zomaar uitgommen. Ook al negeren de politieke families deze ‘sociale feiten’, ze zullen er niet door verdwijnen.
In een niet zo ver verleden was men relatief blind voor de eigen samenleving. Gegevens verzamelen over de eigen leefomgeving, en die vervolgens zinvol analyseren, is een relatief recente wetenschappelijke discipline. Stilaan leren we dus beter te kijken naar de eigen levenscondities. België is er met een helaas teloorgegane traditie van volkstellingen lang een voortrekker in geweest.
Sociale cataract
Beter inzicht in een ‘sociaal feit’ zoals sociale ongelijkheid, in al zijn complexiteit, kan als voorbeeld dienen voor deze ‘ideologische secularisering’. We weten ondertussen dat, op het niveau van een bevolking, de kans op een hogere levenskwaliteit samengaat met de aanwezigheid van diverse aspecten van sociale gelijkheid. Over sociale ongelijkheid kunt u wellicht nog een ideologische boom opzetten. U mag het een onnodig streven vinden of zelfs tegennatuurlijk. Levenskwaliteit als streefdoel daarentegen, dat ondertussen al meer dan zeventig jaar onderwerp van onderzoek is, leidt wellicht minder tot discussie. Het ene is een middel om tot het andere te komen.
Gelijke samenlevingen doen het op veel vlakken beter dan ongelijke. Daarbij weten we ook dat meer aandacht nodig is voor zogenaamde interactie-effecten. Kort gezegd: veel van de uitingen van ongelijkheid komen bij dezelfde mensen terecht en hebben daar een grotere invloed op levenskwaliteit dan uit eendimensionaal onderzoek blijkt. Praktijkwerkers zoals leerkrachten, sociaal werkers en professionals in de basisgezondheidszorg zien dat elke dag in de realiteit. Hebben we, als we dit weten, nog ideologie nodig om sociale onrechtvaardigheid aan te pakken?
Ons politiek landschap, en bijgevolg ook het beleid, is nog steeds in belangrijke mate verkaveld langs oude ideologische breuklijnen. Die ontstonden in een periode van relatieve maatschappelijke blindheid. Het blijft mij verbazen in welke hoge mate politieke families nog steeds lijden aan sociale cataract en onderbouwde kennis over menselijk samenleven negeren, zoals ze dat bijvoorbeeld halsstarrig doen in het onderwijsdebat.
Als we geloven in een maakbare, meer rechtvaardige samenleving kan dat vandaag steeds meer op basis van kennis over het sociale. Dat is een uitdaging én een geruststelling.