Slachtoffers helpen, hoe moeilijk kan het zijn?

Een vers rapport van een verse onderzoekscommissie kan de conclusies van twintig jaar geleden gewoon overnemen: onze instellingen werken niet. De gevel witten, maar nooit grondig verbouwen.

Nu de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart haar werkzaamheden stilaan afrondt, komen de eerste bevindingen ontmoedigend herkenbaar over. De kritiek van slachtoffers op de hulp die er niet was, klinkt als een echo uit een niet zo ver verleden. Inge Ghijs verwees er in haar redactioneel commentaar al naar (DS 18 maart) en meldde dat we na tien jaar nog geen stap verder zijn. De schande is zelfs nog ouder. Volgende maand is het twintig jaar geleden dat de onderzoekscommissie-Dutroux haar rapport neerlegde. Voor slachtoffers is er inderdaad nog niets veranderd. Er waren nochtans leerkansen genoeg.

In het midden van de jaren 90 nam de aandacht van politie en justitie voor de specifieke noden van slachtoffers toe. Voorheen doken ze in het strafrecht uitsluitend op als getuige. Zo werden binnen de toenmalige rijkswacht een vijftigtal sociaal werkers aangeworven om in bijna evenveel districten in het ganse land gendarmes bij te staan in hun ‘bejegening van slachtoffers’. In het toen nog monolithisch militair opgeleide korps was de intrede van niet-rijkswachters om mee basispolitietaken te ondersteunen een revolutie. Ook in stedelijke politiekorpsen was er meer aandacht voor slachtoffers. Enkele ministeriële rondzendbrieven hadden dat proces in gang gezet. Die waren er onder meer gekomen nadat in het Leuvense een zelfhulpgroep voor ouders van vermoorde kinderen opstond, en onder begeleiding van het plaatselijke Centrum voor Slachtofferhulp getuigde over het absolute gebrek aan respect vanuit politie en justitie voor slachtoffers en hun nabestaanden. Hun verhalen staan ijskoud te lezen in het boek Leven met een schaduw .

Wereldvreemde justitie

Zelf was ik een van die sociaal werkers die door de rijkswacht werden aangeworven om in het korps de slachtofferbejegening uit te bouwen. De zomer van 1996 veranderde alles. Twee meisjes werden bevrijd uit een kelder in Marcinelle. Voor wie enkele maanden later mee opstapte in de Witte Mars was duidelijk waarover het ging: een dringende vraag aan justitie, en aan de overheid in het algemeen, om zich te organiseren in functie van de noden van slachtoffers en andere hulpvragers. In de prerevolutionaire sfeer van toen stond het sociaal contract tussen staat en burgers echt onder druk. Een samenleving was gekwetst. Met man en macht werd er binnen justitie en politie gewerkt om de eerste nood te lenigen. Ook de toenmalige Centra voor Slachtofferhulp stonden op de eerste rij en droegen in die periode veel expertise over aan de relatieve nieuwkomers op het terrein van de slachtofferhulp.

Besparingsdrift en rationalisering vinden een goede partner in het oprukkende individueel schuldmodel

Onmiddellijk werd het voor iedereen duidelijk dat naast voldoende individuele hulp en ondersteuning vooral structurele maatregelen nodig waren. De maatschappelijke machinerie die ontwikkeld werd om burgers te beschermen en hun vrijheden en rechten te vrijwaren was kapot. Een mentaliteit diende te wijzigen. Ook toen werd gesproken van een wereldvreemde justitie.

Vandaag stellen we vast dat, buiten het witten van de gevel, er van een grondige verbouwing geen sprake is geweest. De echte werken werden uitgesteld tot na sint-juttemis.

Een vers rapport van een verse onderzoekscommissie stelt nu gewoon hetzelfde vast: niet voldoende coördinatie, eilandjes naast elkaar, onvoldoende informatie-uitwisseling en doorstroming, te weinig klare scenario’s, niet de hulp die er moest zijn. Als uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen van de Belg in zijn instellingen zeer laag is, bewijst dit vooral dat de Belg goed in staat is in te schatten in welke maatschappelijke bouwval hij leeft. Het vertrouwen in justitie en politie is bij de laagste in Europa. Nog geen 8 procent van de Belgen geeft aan zeer veel vertrouwen te hebben in de politie. In Finland is dat meer dan 44 procent.

Vredige parlementen

In de voorbije twintig jaar werd wel degelijk een en ander aangepakt, maar helaas in de verkeerde richting. Ons land kan goed politieke structuren en compromissen bouwen, maar dat leidt niet tot goed werkende instellingen. Door de nadruk op politieke pacificatie wordt het rustig in de vele halfronden die het land rijk is, maar er wordt geen start gemaakt van de broodnodige sociale innovatie waar die wel dringend nodig is. De ‘onderwijshervorming’ van enkele maanden geleden is hiervan een ander schrijnend voorbeeld: voor politici zit het werk erop want de ruzie is voorbij.

De zorg- en welzijnssector wordt al vele jaren geplaagd door besparingen én fusies. Centra voor slachtofferhulp zijn er niet meer. Ze zijn opgegaan in de grote Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW). Het basiswerk in deze organisaties is onherkenbaar gebureaucratiseerd waarbij de nadruk steeds meer ligt op registreren en meten. Professioneel sociaal handelen vanuit de behoeften van een mens is iets uit een ver verleden. Besparingsdrift en rationalisering vinden bovendien een goede partner in het oprukkende individueel schuldmodel. Het is makkelijker snoeien bij de kwetsbaren als het hun eigen fout geacht wordt.

Wees dan ook niet verbaasd dat we vandaag niet klaar zijn om zorg en ondersteuning te bieden aan wie slachtoffer wordt van geweld of op een andere manier kwetsbaar is.

Zijn de terroristen geslaagd in hun opzet? Het antwoord op deze vraag bestaat ook uit de manier waarop we met de slachtoffers zijn omgegaan. Herdenkingen zijn nodig en belangrijk. Goed zorgen voor slachtoffers als de camera’s er niet meer zijn is dat evenzeer. We doen onszelf tekort als we dat niet klaar krijgen.